DE VOORGESCHIEDENIS DER EERSTE NEDERLANDSCHE POSTZEGELS
1932 door J. D. VAN BRINK
Wie zich zet tot het schrijven van een overzicht van
het ontstaan der eerste nederlandsche postzegels, ontkomt niet aan
het maken van min of meer uitgebreide uitstapjes op het belangwekkend
gebied der postgeschiedenis, nauw verbonden als deze laatste is aan
den ontwikkelingsgang der gekleurde papiertjes, waarnaar de genegenheid
van den philatelist uitgaat. Immers, zonder Post geen postzegels,
al zijn er pessimisten, die het einde van den frankeerzegel bereids
afleiden uit het sterk toenemende gebruik van de frankeermachines.
Mocht het ooit zoover komen, dan zullen daaraan ongetwijfeld nog heel
wat jaren voorafgaan, al valt intusschen niet te ontkennen, dat de
postzegel in zijn tegenwoordigen vorm en in de wijze van aanwending
niet meer geheel past in het kader van dezen tijd, die zich toespitst
op het vermijden van overtolligheden en arbeidsverspilling.
In plaats van ons evenwel te verdiepen in toekomstmogelijkheden, zullen
wij ons bezighouden met wat in een tijd, die weinig meer dan een menschenleeftijd
achter ons ligt, op postaal gebied hier te lande plaatsgreep, waaruit
alsdan de geboorte is te verklaren van de eerste nederlandsche frankeerzegels.
Mocht ik hier of daar eens wat te veel uitweiden over het aantrekkelijke
onderwerp, postgeschiedenis, dan werd zulks mij ingegeven door den
wensch iets bij te dragen tot het populariseeren van 'deze achtenswaardige
Nijverheid in ons vaderland, door Voltaire genoemd: de band, welke
de harten toenadert en de gedachten vereenzelft: de band van alle
zaken en van allen handel, de troost des levens.' (De Posten, door
A.F.Bouricius, Koninklijk Pruisisch agent der postwagens en titulair-postmeester
te Arnhem). En dat in de eerste plaats bij hen, die meer dan eenige
andere categorie van staatsburgers in staat zijn de maatregelen van
de postautoriteiten naar verdienste te beoordelen: de postzegelverzamelaars.
Terecht merkte de directeur-generaal der P.,T en T., ir.M.H.Damme,
in zijn rede op 5 September jl. te Utrecht tijdens het diner gehouden
op, dat juist dit betere begrip omtrent de bestuursmaatregelen bij
den postdienst, een aantrekkelijk punt van aanraking is tusschen de
philatelisten en de leiding van het staatsbedrijf der P.,T.en T.
De poging, een steentje bij te dragen tot vermeerdering der populariteit
der posterijen, een element, dat niet gemist kan worden bij een openbare
dienst, zóó ingrijpend in het dagelijksch leven, heb
ik gémeend wellicht aantrekkelijker te kunnen maken door aan
de hand van afbeeldingen den lezers een kijkje te geven op het postbedrijf,
zoowel hier te lande als elders.
In vogelvlucht moge allereerst een overzicht worden gegeven van de
postale toestanden in ons vaderland, vóór men er ernstig
over dacht om tot een wettelijke regeling van den postdienst te besluiten.
Uit de rondreizende marskramers, monniken en pelgrims, die zich met
het overbrengen der brieven belastten, ontstonden door de meerdere
behoeften, die de zich uitbreidende handel stelde, in den loop der
jaren de koopmansboden, die zorgden voor het brievenvervoer tusschen
de belangrijkste koopsteden.
Zij reisden met de 'stedebus', hetgeen o.m. blijkt uit een keurboek
van Amsterdam, waarin melding wordt gemaakt van het ontslag van Jan
de Vriese, die met een dergelijke bus als koopmansbode naar Dordrecht
reisde.
Bij het toenemen hunner bemoeiingen kon het niet uitblijven, dat de
stedelijke regeeringen de benoeming dezer boden tot zich trokken,
of er mede begiftigd werden, waaruit in de 16e eeuw de bodenschappen
ontstonden. Zoo had Amsterdam dit recht reeds in 1395 verkregen van
hertog Albrecht van Beieren, terwijl verschillende steden in Holland
en Zeeland, welke genoemd recht reeds een halve eeuw hadden uitgeoefend,
daarin bevestigd werden bij het groot privilege van Maria van Bourgondië.
Het karakter dezer bodenschappen wijzigde zich in den loop der jaren
geheel: uit de facultatieve reizen ontstonden de beurten, vervolgens
de ritten. De boden wisten zich op te werken tot bodenmeesters, welke
naam er reeds op wijst, dat zij boven anderen (de boden, die de beurten
of ritten uitvoerden) waren gesteld; nog later tot postmeesters. Uit
het oude bestelhuis ontstond het postkantoor; het eenvoudige ambt
van voetbode was gegroeid tot dat van postmeester, waarnaar aanzienlijke
burgers dongen.