Vermeldenswaard is de postmeester Roelof Meulenaar van
het 'Antwerpsche' kantoor te Amsterdam, die in 1638 als bode op Antwerpen
was aangesteld en een paardenpost op die stad inrichtte. Toen Meulenaar
een halve eeuw zijn ambt van postmeester bekleed had, liet hij voor
zijn 5 kinderen een gedenkpenning slaan, waarvan op nevenstaande zijde
een afbeelding wordt gegeven.
Inderdaad 'smaeckten' de postmeesters van die tijden
en ook nog later ''t soetste aldermeest'. Deze betrekkingen, die als
regel zeer hooge voordeelen afwierpen, werden dan ook gereserveerd
voor de magistraten of hun verwanten, die er over hadden te beschikken.
Het ambt werd zelfs wel eens als bruidsschat aan een huwbare dochter
medegegeven, of men begiftigde er een pasgeboren zoon mede! Zoo is
het te verklaren, dat een en dezelfde persoon postmeester kon zijn
van bijv. Gouda en Tilburg.
Te verwonderen is het dan ook niet, dat waar de beheerders van de
posterijen in die dagen vóór alles den blik gevestigd
hielden op het behalen van zoo groot mogelijke winsten, de verzorging
van den postdienst veel te wenschen overliet en dat in de Algemeene
Staten van 1716 de misbruiken en onvolkomenheden, die de posterijen
aankleefden, ter sprake werden gebracht en dat men zon op verbetering.
Het eigenbelang van enkele bevoorrechte families woog echter zwaarder
dan het algemeen welzijn en de zaak bleef zooals zij was, tot de volksbeweging
van 1747 aan deze bevoorrechting een einde maakte. Prins Willem IV
werd tot stadhouder gekozen en verschillende steden droegen de posterijen
over aan den prins, die haar zonder eenig voorbehoud afstond aan het
land.
In 1749 werden zes commissarissen benoemd (o.w. een burgemeester van
Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Leiden en Hoorn), die de noodige maatregelen
zouden treffen om de afgestane posterijen op algemeenen voet te regelen.
Deze commissie had tot opdracht aan de Staten rapport uit te brengen:
'op wat voet de Directie der Posterijen kon geschieden ten beste van
's Lands financiën en te gelijk ten beste van de correspondentie
zoo binnen als buiten 's lands; daarin zooveel doenlijk en zooveel
het met het oog op de dienst van het Land zal kunnen bestaan, in het
oog houdende dat aan de leden van H.Ed.Gr.Mog, gerustheid wierd gegeven,
dat het overgedragen postwezen niet gebruikt zal worden als een middel
van financie, om, door het verhoogen der briefporten, daaraan meerder
voor den Lande te consequeeren en alzoo de correspondentie difficiel
te maken.'
Men besloot tot uitkoop van de vroegere eigenaars, waardoor de staat
in het bezit kwam van de posterijen in Holland en West-Friesland.
De commissie van 1749 werd twee jaren later vervangen door een vast
bestuur, de Generale Directie, waarna op 1 Juli 1752 de werkelijke
overgifte van en het aanvaarden van het beheer over de posterijen
van landswege plaats vond.
In de overige gewesten had men nog jaren met vele moeilijkheden
te kampen, vooral door het onttrekken van talrijke brieven aan de
Landspost. Dat dit euvel zich jaren en jaren handhaafde, moge o.a.
blijken uit artikel 13 van de Publicatie van koning Lodewijk Napoleon
van 17 April 1807, luidend als volgt:
'De Postillons der Koninklijke Posterijen, zich aan het ongeoorloofd
medenemen, bestellen of bezorgen van Brieven of Pakketten schuldig
makende, zullen worden beschouwd als ontrouwe Landbedienden,en naar
bevind van zaken, boven en behalve de boete, bij hunne Instructiën
bepaald of nog te bepalen, met bannissement, confinement ofte geeseling
aan den Lijve, kunnen worden gestraft.'
Dat men tot dergelijke krachtmaatregelen zijn toevlucht nam, spreekt
boekdeelen!
De Generale Directie heeft, naar de uitkomst te oordeelen, haar taak
vrij goed vervuld, want na vijftig jaren bleken de posttoestanden
in Holland zoo vereenvoudigd en verbeterd, dat deze gunstig afstaken
bij die in de overige gewesten, waar door het ontbreken van groote
koopsteden het postwezen echter van veel minder gewicht was. Na de
komst der Franschen hier te lande werden op 15 Januari 1799 alle posterijen
in de Bataafsche Republiek nationaal verklaard, wat uit postaal oogpunt
bezien,ongetwijfeld een stap in de goede richting was.
Hierdoor toch werd een einde gemaakt aan de tot dusverre hier en daar
nog bestaande gemeentelijke of bijzondere posterijen, die een beletsel
waren geweest bij de inrichting van ons postwezen volgens een vast
systeem. Bij deze bijzondere posterijen toch liet de veiligheid der
correspondentie dikwijls te wenschen over; herhaaldelijk hadden aanrandingen
plaats of werden brieven onderschept, terwijl menigmaal het geheim
der briefwisseling werd geschonden.